Januari


januari

Stil, doodstil is het overal. Het heeft een nacht lang gesneeuwd en nog steeds dwarrelen er witte vlokjes uit de grijze hemel. Sneeuwvlokjes maken geen geluid, daarom is het natuurlijk overal zo stil. Maar toch, als je erg goed luistert, valt er nog een boel te horen in het grote bos. In de bomen scharrelen wat kleine vogeltjes rond. Meesjes die zacht voor zich uit onverstaanbare woordjes kletsen. "Tsjilp. Tsie tsie. Tuut." Goudhaantjes die fluittoontjes maken, z hoog dat je heel goed moet opletten, anders hoor je ze niet. "Tjiiiiiii. Tjiiiiiiii."
Ergens in de verte klinkt opeens het harde gescheld van een Vlaamse gaai." Schrk kkkk." Flink hard. Daarna is het opeens nog weer veel stiller, maar dat komt omdat de kleine vogeltjes eventjes hun snaveltjes dicht houden.
Dan valt er een dot sneeuw van een hoge tak en ploft in de struiken. "Ploef." De meesjes gaan door met hun gekwetter. De goudhaantjes fluiten weer. En nu blijken er waarempel ng meer geluidjes te zijn, ook ploefjes, maar wel heel zachte. Het klinkt meer als: "plf plf plf." Aha, dat zijn de voetjes van een kabouter die flink door de sneeuw stappen. En die kabouter is natuurlijk een boskabouter en - het is zo klaar als een klontje dat hij Paulus heet.
Tevreden om zich heen kijkend stapt hij voort. Hij maakt een extra lange morgenwandeling omdat het zo mooi is buiten. Dit keer gaat hij zelfs helemaal tot aan de rand van het grote bos om uit te kijken over de wijde witheid van de heuvels. Maar juist als hij tegen zichzelf zegt:"Tjonge jonge, wat is het hier toch stil," schalt er plotseling een stem als een trompet en daar komt Salomo de raaf als een fladderende inktmop uit de hemel vallen. "Wat doe jij hier zo in je eentje Paulus?" tettert Salomo. "Genieten van de stilte," zegt Paulus. "Jij ook?" "Jazeker," antwoordt Salomo zonder blikken of blozen, "ik ook. Want zie je, als het zo stil is, dan klinkt je stem zo lekker hard. Moet je es horen:"KORRRRK KRAAAAA KRAAAAAAAA!!!"